COLUMN 58 - TERRE-AARDEWERK: STEENGOED!

 

column 239

 

 

column 240

  

  

column 241

 

 

column 242 

 

 

 

column 243

De funeraire belangstelling, die delen we samen, mijn echtgenoot en ik. De funeraire wereld met name op begraafplaatsen blijft een boeiend fenomeen en het gaat er bij ons elke dag wel over.
Zelfs op een feestje krijgt manlief het altijd wel weer klaar om het erover te hebben. In het begin dacht ik: “Oei-joei, nog effe en dan vragen ze ons nergens meer”. Maar dat is meegevallen. Er zijn nog geen vrienden afgehaakt.

Maar verder hebben we elk ook onze eigen passie. Die van mij is het werken met klei en die van mijn lief is de funeraire wereld met name op begraafplaatsen. Dat is ook wel prettig, want dan kun je ook eens verschillende ervaringen uitwisselen. Een gepensioneerde werkdag ziet er bij ons zoveel mogelijk uit als een normale werkdag. Of -zo je wilt- een werkdag zoals bij normale mensen.
Na de noodzakelijke dagelijkse klusjes die we absoluut tot een minimum beperken, gaat ieder naar zijn/haar eigen hok. Manlief in de werkkamer boven achter de computer, steeds op zoek naar weer nieuwe funeraire zaken. En ik naar het atelier(-tje) beneden, steeds op zoek naar weer nieuwe keramische zaken. Na een gezamenlijke ochtendwandeling ontmoeten wij elkaar steeds bij de koffie, bij het bereiden en verorberen van de warme maaltijd, bij het fruithapje ’s middags en bij de avondboterham. Dan gaan we nog even ieder naar ons eigen hok en om 20.00 uur zien we elkaar weer bij het nieuws. Dan blijven we samen tot de volgende ochtend.

Ik vind het wel prettig om mijn eigen hobby te hebben, mijn eigen terrein waar ik inmiddels laaiend veel van weet, gelukkig veel meer dan mijn echtgenoot. In mijn atelier(-tje) doe ik mijn best om al die kennis om te zetten in beeld. Het funeraire raakvlak zit ‘m in de urnen die ik wel eens maak, daartoe geregeld met enige overredingskracht aangezet door mijn gemaal omdat de update van de website er weer aan komt en hij graag weer wat nieuws van mij wil presenteren. Zo nu en dan ben ik braaf.
Soms vindt een mede clubgenoot/keramist mij maar een eng mens met mijn urnen. En ze willen dan weten of dat een opdracht is. Hoewel ik wel eens een urn in opdracht heb gemaakt, maak ik ze verder alleen maar voor mijn plezier. En dàt wil er niet zo goed in bij anderen. Vandaar dat ‘eng mens’.

Het heeft een paar jaar lopen op een begraafplaats geduurd voordat ik me realiseerde dat er ook keramiek op begraafplaatsen te vinden is. Ja, in urnenwanden, dat had ik wel gezien (en daar hou ik niet van) maar verder was het me niet zo opgevallen.
Maar toen opeens zag ik het wèl en toen zag ik het ook overal. Nog steeds ongelooflijk blij met de digitale fotografie, hoefde ik mij niet meer in te houden. Op de computer verscheen de map ‘keramiek op begraafplaatsen’, onderverdeeld in mappen aardewerk, steengoed en porselein. Deze mappen leidden een sluimerend bestaan, want steeds weer is daar de lokroep van het atelier(-tje).

En dan is daar opeens de ideeënmachine van mijn huisgenoot en partner. Altijd op zoek naar onderwerpen om zijn funeraire begraafplaatskennis aan de man te brengen. Laat hem nou op het idee komen om een thema te wijden aan keramiek op begraafplaatsen. Niks aan de hand, zou je zeggen. Goed idee. Ik stel hem mijn map inclusief ondermappen ter beschikking en trek mij weer terug op mijn eigen domein.

Maar dan heb ik buiten de waard gerekend. Deze waard is een onderzoeker, een researcher. En komt erachter dat het een ingewikkelde materie is. En dat er heel veel tot de keramiek wordt gerekend. Tot de keramiek behoort alles maar dan ook alles dat gemaakt wordt van gebakken aarde. En perfectionist als hij is wil hij opeens het naadje van de kous weten. Met een zwaai naar de boekenkast stel ik hem al mijn keramiekboeken ter beschikking, maar zo gemakkelijk kom ik er niet van af. Dat kon ik wel denken, maar nee.

Het thema, voor één keer dàt keramiekthema dat hem voor ogen staat, breidt zich al snel uit, want er is zoveel over te vertellen dat het hem al snel duizelt. En daardoor mij ook.
Wat voor mij gesneden koek is, is dat voor hem niet. En als je wat ouder bent, dan gaat leren niet meer zo soepel als vroeger. Dat vraagt om herhaling.
En wat mij niet interesseert, bakstenen en dakpannen en gresbuizen en porseleinen sanitair bijvoorbeeld, moet opeens helemaal worden uitgeplozen. En dan niet een klein beetje, maar een beetje veel. Zoveel, dat mijn schatje er zelf helemaal crazy van wordt.
En opeens hebben we aan al die foto’s niet meer genoeg. Of zijn ze niet goed genoeg. Dus gaan we op route. Naar Tegelen. Want het materiaal dat je op begraafplaatsen vindt, vind je meestal in de buurt van die begraafplaats. Marmer bij marmergroeven en baksteen bij de baksteenindustrie.
Hoewel Tegelen bekend staat om z’n dakpannen, staan er zoveel bakstenen monumenten op de begraafplaats, dat van een snel bezoek geen sprake kan zijn.

Er zijn de inmiddels zelfverzekerde beweringen in de trant van “dit is een handgevormde ambachtelijke steen, deze komt uit de extrusiepers en die uit de vormbak”, want er is thuis al veel research gedaan. Daar hoef ik (gelukkig) niets meer aan toe te voegen.
Maar dan komen er de vragen, want tenslotte ben ik in ons tweemanschap de keramische expert.
Dat er kleurverschil is in de klei afhankelijk van de kleisamenstelling is ook reeds geconstateerd. Maar waarom is dat dan, hoe komt dat dan?
En waarmee is iets dan geglazuurd, met gewoon glazuur of met zout of met soda? En waar komen dan die kleuren vandaan? En waarom is het een wel terracotta en is het andere geen terracotta? Enne … is dit nou aardewerk of is dit nou steengoed? En waarom is dit zus en dat zo?
We hadden een genoeglijke middag maar op het einde daarvan kon ik nog maar één ding uitbrengen en dat was dat één gek meer kan vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden.

En dit is dan nog maar het begin. Ik kan mijn borst nog wel natmaken. En u ook. Want het gaat deze keer alleen maar over baksteen. En dan volgen nog terracotta en aardewerk, steengoed en porselein. En dan gaat het ook nog eens over majolica en faience. Over bloemen en fotootjes. En over engeltjes en jezusjes. En urnen. Dat faience hebben we al volop gefotografeerd in Faenza. Gelukkig. Maar of dat porselein, waar Limoges zo bekend om is, ook daar ter plekke op de begraafplaatsen voorkomt, dat weten we wel uit een boek maar niet in situ. Dus, vindt manlief, “...moeten we maar weer eens naar Frankrijk, daar zijn we lang niet geweest”.

Hoezo, één keertje één thema over keramiek? Zucht. Ga er maar aanstaan met zo’n hobby. Maar we houden nog van elkaar, dat wel.
 

© 2017 Jeannette Goudsmit