COLUMN 62 - POTTENBAKKER TOT HET EINDE

 

column 256

 

 

 

 

 

 

 

 

 

column 257

 

 

 

 

 

 

 

 

column 258

 

 

 

enkele voorbeelden
van de expo URNEN
van 02.11.2017 - 04.02.2018

in het EKWC in Oisterwijk

 

Heb ik nou een writer’s block of heb ik nog steeds last van een hersenverweking na al die hitte van de afgelopen zomer? Hadden jullie het ook zo heet? Het was vaak tropisch en dat hoeft voor mij niet. Ik heb er expres voor gekozen om geboren te worden in een gematigd klimaat en dan krijg je dit. Nog effe en dan dobbert er een schorpioen in de plee of voor je het weet slaap je met een zwarte weduwe naast je in bed. 
(Wat dat zwart betreft, even tussen haakjes: tegenwoordig schijn je niet meer 'zwart' te mogen zeggen. Maar ik denk toch dat u een heel andere associatie krijgt als ik –geheel volgens de nieuwe correcte regels- zou zeggen: “Voor je het weet slaap je met een donker getinte weduwe naast je in bed”).

Het was een zomer waarin het woord ‘niks’ nogal eens voor kwam. De hitte was niks, de droogte was niks, buiten zitten was niks, dientengevolge waren onze funeraire activiteiten niks en keramiek maken was al helemaal niks. Binnen zitten hebben we vaak gedaan, maar dat was ook al niks. Om de hitte buiten te houden moesten alle luiken dicht en was het zo donker binnen dat je niks zag. Kon ik dus ook binnen geen keramiek maken. Buiten ook al niet, want het was zo heet dat een rolletje klei voordat ik het kon verwerken bij het maken van een urn al droog was voordat het erop zat. Ik had bijna de keramiek kunnen bakken in de zon.
Funeraire activiteiten zaten er niet in, want alleen al de gedachte dat we bij deze hitte ons logge lijf zouden moeten verplaatsen richting begraafplaatsen, deed ons het zweet al uitbreken. Het was ook in de kranten komkommertijd, want op funerair gebied gebeurde er ook al niks. Tenzij ik het in alle kommer en kwel gewoon niet heb opgemerkt. Dat kan ook.
Maar verder hebben wij wel een fijne zomer gehad, hoor, niks mis mee.

Maar het geeft me nu wel het probleem bij het schrijven van deze column, dat ik niet echt overloop van funeraire inspiratie. Ik heb het al over veel onderwerpen gehad, mijn gal gespuwd over natuurbegraafplaatsen, over resomeren (dat lijkt er echt van komen) en lyofilisatie en weet ik veel waarover allemaal, maar daar ga ik het niet nogmaals over hebben. Ik heb al verteld over onze vakantie naar Ierland (net vóór de hitte) en ons reisje naar Rijswijk ging alleen maar over papierkunst. Erg interessant overigens. Onvoorstelbaar, wat je allemaal met papier kunt doen.
En de eerstvolgende expo’s met een funerair tintje moeten nog komen: Het Catharijneconvent in Utrecht met relieken (vanaf 12 oktober) en het Drents Museum in Assen met keramiek van Carolein Smit (vanaf 4 november). Ik heb recent een boek gekocht met haar werk. En dat terwijl ik de eerste keer dat ik haar werk in mijn keramiekblad zag staan er meteen een afkeer van had. Bij nadere beschouwing is dit omgeslagen in waardering.

Er stond zeer recent in de krant dat je -altijd al- je auto kon laten bestickeren tot een waar kunstwerk, maar nu kun je ook je grafkist laten bestickeren. Kunstzinnig laten beplakken met afbreekbare (dat dan weer wel) folie. Weer een noviteit. De zoveelste. Keer op keer steeds weer nieuwe uitvaart- en rouwdingen. Hoeveel van die noviteiten zouden de eerste aankondiging hebben overleefd? Niet veel denk ik.
Met z’n allen om de kist zitten om ‘m samen te beschilderen en te beplakken, dat deden we altijd al wel. Goed om dit samen te doen, het helpt om het een mooie uitvaart te laten worden en je bent samen bezig in je gezamenlijke verdriet.
Maar de commercie zou de commercie niet zijn als ze ook deze bezigheid niet van je zouden overnemen. Afpakken, zeg maar.

Mijn keramieklessen zijn weer begonnen en nu zit er zo’n jong ding in de groep die voor haar afstuderen ‘iets in de funeraire wereld’ heeft gekozen. Bij het kennismakingsrondje vroeg ze of een dergelijk onderwerp, een urn bijvoorbeeld, taboe was in onze groep. Ha, nee, natuurlijk niet. Want ik zit al lang in deze groep. En ik heb de groep allang die hete aardappel laten doorslikken. Het was wel wennen toen ik jaren geleden zei een urn te willen maken. De een noemde mij een eng mens, maar daar is ze inmiddels wel anders tegenaan gaan kijken. Een ander had er ook wel wat moeite mee, waardoor ik voorstelde om mijn urnen dan maar dekselpotten te noemen. Inmiddels is er niks meer aan de hand. Het taboe bestaat niet meer in mijn groep.

En dat ligt ook aan mijn docente. Keramiekjuf, zoals ze zelf zegt. Mijn keramiekjuf schuwt dit soort onderwerpen helemaal niet. En daarnaast heeft ze een behoorlijke dosis heerlijke humor.

Toen de vraag nogmaals voorzichtig werd gesteld of het urnen- c.q. uitvaartonderwerp echt geen taboe was, zei de juf:
“Nee echt niet hoor. Mijn vader is ook pottenbakker en ik heb tegen hem gezegd: ‘Pap, als je dood bent en het vuur in gaat, dan wil ik dat je in je handen een zelfgedraaide pot vasthoudt. Die wordt dan in het vuur meteen meegebakken. En dan maak ik daarna van jouw as een asglazuur voor op die pot.’ ”
En mijn groep lachte met de keramiekjuf mee. Geweldig toch. Dit kan alleen een keramist verzinnen. Ik zie het helemaal voor me. De overgebleven as kan dan in de zelfgedraaide en zelfgebakken pot met je eigen asglazuur.
En pap was natuurlijk niet boos, integendeel.

Kijk, daar hou ik nou van.

 © 2018 Jeannette Goudsmit