COLUMN 60 - DOODZIJN DUURT ZO LANG 

Zoals wij op onze website hebben staan, willen wij o.a. het taboe helpen doorbreken, dat rondom dood, doodgaan en begraven bestaat. Nog steeds moeten we daar mee bezig zijn. Want nog steeds zijn in verhouding weinigen bezig met hun plekje in het aardse hiernamaals: de begraafplaats.
Het is bekend dat wij al jaren ons plekje op de begraafplaats hebben gereserveerd. Soms gaan we er even kijken en zien dan tot onze opluchting dat we er nog niet liggen.
Ook praten we er gewoon over. We hebben het althans over onze uitvaart gehad. We hebben een verzekering en zo. We hebben de muziek uitgezocht. We weten zo’n beetje wat we niet willen en ook zo’n beetje wat we wel willen. In grote lijnen. En daar zijn we blijven steken. We weten dat we het daar nog verder over moeten hebben, maar om de een of andere reden komt dat er niet van. Te druk. Geen zin. Of nu niet maar misschien morgen of overmorgen of volgende week …
Misschien komt dat ook wel omdat het dan toch een beetje te dichtbij komt.
Want als ik eraan denk dat ik dood ga, dan kan ik dat niet waarderen. Sterker nog, ik vind dat gewoon niet kunnen. Ik ben tegen. Er is nog zoveel te doen, mee te maken, te beleven. Zoveel leuke dingen wachten er nog op gedaan te worden, dat doodgaan niet zou moeten mogen.
Eeuwig leven is misschien ook niet wat ik wil, maar eeuwig dood zijn trekt me ook niet zo aan. Tenminste niet, zolang ik nog niet klaar ben met leven.

Hoe zou het eruit zien, als we zelf konden kiezen om dood te gaan als we zelf vinden dat we ermee klaar zijn? Gewoon op het moment dat we zeggen “nu heb ik alles gedaan, gezien en meegemaakt wat ik wilde doen, zien en meemaken” pas vertrekken naar het eeuwige?
En bedoel ik niet zelfdoding of zo, maar dan gewoon lekker inslapen. Klaar zijn en dan gewoon zeggen “nu wil ik inslapen”. Of zoiets.
Waarom kan zoiets niet worden geregeld? Als we het nou eens allemaal zo zouden willen, kan het dan geregeld worden?
Want het is toch eigenlijk te gek voor woorden dat er een oneerlijke verdeling inzit. Een lief kleimaatje van mij zei laatst dat haar vriendin (een jonge moeder) uitgezaaide kanker heeft en binnenkort dood zal gaan. En zij wil dat niet. Zij is nog lang niet klaar met leven. Terwijl mijn kleimaatje ook een familielid heeft die graag dood wil en daar de ene na de andere poging toe doet, maar bij wie het steeds mislukt.
Zoiets is toch raar, niet dan?
Of zouden we dan toch een te grote overbevolking krijgen als iemand dit zo zou gaan regelen?
Toen ik erover nadacht wat het onderwerp van deze column zou zijn, kwam dit allemaal bij me boven. Misschien ook omdat het Pasen was. Pasen gaat ook over sterven. Maar ook over wederopstaan.
Misschien is dat dan een alternatief: weer opstaan als je een poosje dood bent geweest. Op een nader te bepalen tijdstip. Na een half jaar of een jaar of zo. Of eerder.

Antoine Bodar had het daar over op de tv, na het Urbi et Orbi op Eerste Paasdag. Dat het zo’n grote troost is, dat we een leven na dit leven hebben. Maar dat speelt zich dan wel ergens daarboven af.
Nou, dacht ik, dat troost me helemaal niet, ook al probeert hij het -fraai verpakt- te verkopen.
Pap eten met een gouden lepeltje is mijn hobby niet. Ik hou niet van pap en ik hou niet van goud. En ik heb nog niet vernomen dat daar boven een keramiek-atelier te betrekken valt.
Bovendien is mij hier op aarde al van alles met de paplepel ingegeven en het meeste daarvan bevalt me ook al niet. Daar heb ik een half leven overgedaan om dat weer uitgespuugd te krijgen. Deels. De rest zit er nog. Soms als een visgraat.

En toen zaten we op 30 maart (Goede Vrijdag) te kijken naar DWDD, de wereld draait door. Dat laatste klopt overigens wel, de wereld is aardig aan het doordraaien. Ik volg het met belangstelling, die doordraaiende wereld, maar niet meer dan dat. Tenslotte heb ik de stress afgeschaft.
Maar goed, DWDD. Het ging over Willem Wilmink. Ik heb me nooit gerealiseerd dat hij zoveel geweldige liedjes en gedichtjes heeft geschreven. Dat soort poëzie, daar houden wij wel van. Het is lief, leuk, grappig, af en toe ernstig en vooral: te begrijpen. Gedichten die je tien, twintig keer hebt gelezen en dan nog niet weet waarover het gaat, ook al sudder je er drie maanden over door, nee, dat vind ik zonde van de tijd. Dat brengt me niks.

En plots was daar dan Tommie. Tommie van Sesamstraat. En Tommie bood de troost waar Bodar een puntje aan kan zuigen.
Bodar was trouwens vroeger een knappe man, maar tegenwoordig ziet hij er een beetje verlopen uit. Hoe zou dat komen? Drinkt hij teveel? Misschien omdat hij toch is gaan twijfelen aan de troost die hij aan anderen biedt en bij het ouder worden beseft, dat dit dan ook een troost voor hemzelf zou moeten zijn? De wereld ziet er in de eerste helft echt wel anders uit dan in de tweede helft.

Lieve Tommie (of moet ik zeggen: lieve Willem Wilmink?), ik hou me vast en put troost uit het liedje dat jij zong bij DWDD, getiteld ‘Doodzijn duurt zo lang’.

Dankjewel, Tommie, doodgaan duurt nog lang.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

column 250

 

 

Doodzijn duurt zo lang

Het is niet fijn om dood te zijn.
Dat maakt me soms een beetje bang.
Het doet geen pijn om dood te zijn,
Maar dood zijn duurt zo lang.

Als je dood bent slaap je stil.
Weet je wat ik weten wil?
Als je dood bent droom je dan
En waar droom je van?

Droom je van je eigen straat?
Dat je op een trommel slaat?
Dat je op een schommel staat,
Dat je steeds hoger gaat?

Dat je daar je moeder ziet?
Hoor je wel of hoor je niet
Dat ze je geroepen heeft?
Droom je dat je leeft?

Het is niet fijn om dood te zijn.
Dat maakt me soms een beetje bang.
Het doet geen pijn om dood te zijn,
Maar dood zijn duurt zo lang.

Ik maakte me weer veel te naar,
Ik laat gewoon het lampje aan.
Voor mij duurt het nog 100 jaar,
Voordat ik dood moet gaan.

 

© 2018 Jeannette Goudsmit