GAST AAN HET WOORD 36

MAURICE HEEMELS: DE BEGRAAFPLAATS ALS ‘SPIEGEL VAN DE SAMENLEVING’

 

36a gast

Maurice Heemels

Maurice Heemels (Melick 1971) studeerde geschiedenis aan de Hogeschool Katholieke Leergangen Sittard en de Katholieke Universiteit Nijmegen. Daar studeerde hij in 1997 cum laude af op een scriptie over rooms-katholieke begraafcultuur in Roermond tussen 1920 en 1985. Van 1997 tot 2006 was hij werkzaam als docent geschiedenis aan het Bisschoppelijk College Schöndeln te Roermond. Vanaf 2004 was hij gedeeltelijk, sinds 2006 volledig werkzaam aan de Fontys Lerarenopleiding Sittard: eerst als docent geschiedenis en lerarenopleider, vervolgens vanaf februari 2015 als opleidingscoördinator geschiedenis en sinds november van dat jaar tevens als teamcoördinator mens- en maatschappijvakken. Met het promotieonderzoek naar begraafcultuur in Roermond tussen 1870 en 1940 was hij sinds 2006 bezig.

Email: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

36b gast

Maurice Heemels
Op den akker des doods, waar allen gelijk worden…’ Begraafcultuur in Roermond, 1870-1940
Uitgever: Verloren, Hilversum 2016, gebonden hardcover, 196 blz., ISBN 978-90-8704-596-8, prijs € 25,00
info en bestelling: https://verloren.nl

 

Naar aanleiding van zijn boek ‘Op den akker des doods, waar allen gelijk worden…’ heb ik Maurice Heemels enkele vragen gesteld, waarop hij graag bereid was antwoord te geven.

Voor wie het boek niet kent, op de achterflap staat de volgende tekst:
Dit boek gaat over de Roermondse begraafcultuur tussen 1870 en 1940. Centraal staat de begraafplaats ‘Nabij Kapel in ’t Zand’, waar in deze periode alle Roermondenaren hun laatste rustplaats vonden. De begraafplaats wordt onderzocht vanuit een sociaalhistorisch, cultureel-religieus en kunsthistorisch perspectief. Negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse begraafplaatsen worden wel getypeerd als ‘spiegel’ van de samenleving. Als ‘microkosmos’ van de levende stad zou via hen het beeld van de stad uit het verleden kunnen worden opgeroepen. Maurice Heemels toont aan dat dit voor de Roermondse ‘necropool’ geldt. De sociale verschillen in de stad kwamen scherp tot uiting in de klassenindeling op de begraafplaats, in de begrafenisrituelen, en in de monumentale grafcultuur. Aan de uitspraak van Jacobus Craandijk dat op de begraafplaats ‘allen gelijk worden’, mag dus hooguit een symbolische betekenis worden toegekend.

Waar komt je interesse in de funeraire cultuur vandaan?
Toen ik vier maanden oud was overleed mijn vader. Met mijn moeder bezocht ik van jongs af aan tijdens Allerzielen het kerkhof waar hij was begraven. De sfeer met Allerzielen – brandende kaarsjes, keuvelende mensen, verhalen over overledenen – fascineerde mij. Het kerkhof, in het bijzonder natuurlijk het graf van mijn vader, had voor mij iets magisch. Op de basisschool raakte ik geïnteresseerd in geschiedenis. Tijdens mijn opleiding tot leraar geschiedenis vatte ik het plan op om me te gaan verdiepen in de historie van het (christelijke) begraven. In 1997 studeerde ik in Nijmegen af op een scriptie over rooms-katholieke begraafcultuur in Roermond tussen 1920 en 1985. Tijdens het werk aan mijn doctoraalscriptie werd mijn interesse gewekt in de classificatie op negentiende-eeuwse begraafplaatsen en in begrafenis- en uitvaartmissen. Ik nam me voor op een geschikt moment het doctoraal-onderzoek te verdiepen met een vervolgstudie naar classificatie in begrafenisrituelen en op begraafplaatsen. Dat is het thema van mijn promotieonderzoek geworden.

Je hebt alles op en rond het Oude Kerkhof in Roermond om- en doorgespit, getuige je doctoraalscriptie en proefschrift. In hoeverre heb je ook andere begraafplaatsen in je onderzoek betrokken?
Voor mijn promotieonderzoek heb ik een groot aantal begraafplaatsen en kerkhoven in de provincie Limburg bezocht. Daarnaast heb ik een aantal begraafplaatsen in aangrenzende Belgische en Duitse steden bezocht en - als ze beschreven waren - erover gelezen. Natuurlijk wilde ik vaststellen in hoeverre de Roermondse ontwikkelingen tussen 1870 en 1940 passen in een breder, internationaal kader. De beschrijving van die vergelijking heeft vooral zijn weerslag gevonden in de eerste twee hoofdstukken van mijn proefschrift.

In hoeverre kijk je als historicus en cultuurwetenschapper naar het verleden (1870-1940) om er lessen uit te trekken voor het heden en eventueel de toekomst van de funeraire cultuur?
Als historicus vind ik het heel jammer dat vanwege de sterke opkomst van crematie na pakweg 1980 veel mensen niet meer begraven worden. Huidige begraafplaatsen kun je daarom veel minder onderzoeken als ‘spiegel van een samenleving’, eenvoudigweg omdat een belangrijk deel van die samenleving niet op die begraafplaatsen is beland. Als mens vind ik het belangrijk dat er in het leven, maar ook na de dood, zo weinig mogelijk onderscheid gemaakt wordt tussen mensen. Dat op tegenwoordige begraafplaatsen geen sprake meer is van een formele classificatie en duidelijk zichtbare verschillen tussen mensen - denk bijvoorbeeld aan de aard en grootte van grafmonumenten, de ruimte per graf enz. -, vind ik zeer wenselijk en rechtvaardig. We kunnen blij zijn te leven in een maatschappij waarin sociale verschillen aanmerkelijk kleiner zijn - en in ieder geval ook minder geaccepteerd - dan in de negentiende en vroeg-twintigste eeuw het geval was. Als je mij echter vraagt ‘Welke begraafplaats vind je interessanter?’, zeg ik ‘Doe mij maar de negentiende-eeuwse met al haar klassen.’ Maar dan spreekt de onderzoeker in mij.

Toen was de begraafplaats een spiegel van de samenleving, maar hoe zit dat tegenwoordig: sociaalhistorisch, cultureel-religieus en kunsthistorisch?
Met het afschaffen van klassen op begraafplaatsen, na de Tweede Wereldoorlog, en in kerkelijke diensten rondom overlijden, voor het bisdom Roermond in de jaren tussen 1965 en 1970, verdwenen formele verschillen uit de begraafcultuur. Begraafplaatsen verloren daarmee hun sociaalhistorische ‘spiegelkarakter’. In de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw werden er veel begraafplaatsen aangelegd waarin alle verschillen werden vermeden, tot uiting komend in vrijwel volledig uniforme grafmonumenten. Je zou kunnen zeggen dat men van het ene uiterste naar het andere ging; van de negentiende-, vroeg twintigste-eeuwse begraafplaats met haar geclassificeerde grafvelden en overduidelijk zichtbare verschillen tussen grafmonumenten naar de eind twintigste-eeuwse ‘confectiebegraafplaatsen’ met graven die tot in het kleinste detail gelijk aan elkaar waren. In de afgelopen decennia is er mijns inziens - in ieder geval in Limburg - een tussenvorm gevonden, het best te karakteriseren als ‘uniforme verscheidenheid’. Deze begraafplaatsen laten geen grote, opvallende verschillen tussen graven en grafmonumenten meer zien, maar bieden wel ruimte voor individuele expressie. De nadruk lijkt daarbij te liggen op kenmerken van de begravene als individu, bijvoorbeeld door een heel persoonlijke tekst of afbeelding op het grafmonument, en steeds minder op christelijke symbolen. In die zin weerspiegelen grafmonumenten tegenwoordig veel meer dan vroeger iemands karakter en leven als mens en niet meer, zoals in de negentiende eeuw, via de begraafklassen en aard van het grafmonument diens sociale status. Sociaalhistorisch zijn begraafplaatsen die dateren uit de laatste twee, drie decennia geen ‘spiegel’ meer te noemen, maar je zou wel kunnen zeggen dat het individuele grafmonument de zich seculariserende maatschappij weerspiegelt. Hoe het cultureel-religieuze en kunsthistorische spiegelkarakter van begraafplaatsen zich in de periode na de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld, zal toekomstig onderzoek moeten uitwijzen. Dat lijkt me een mooie uitdaging voor een komende generatie (kunst)historici.

© 2017 Atelier Terre aarde en Maurice Heemels